Rony

Werfmedewerker

Rony kent zijn weg beter ondergronds dan bovengronds. 17 was hij toen hij in 1979 meebouwde aan de Antwerpse premetro. Nu 40 jaar later komt hij mee het werk afmaken. De cirkel is rond.

 

Rony is inmiddels 55 en komt elke dag vanuit Berlare naar de Koekenstad. ‘Mijn eerste werf was de keerlus onder de Rooseveltplaats en van daar de aansluiting naar station Opera. De tunnels waarin we moesten werken waren met momenten maar 1,5 meter hoog. Op handen en knieën kropen we erdoor. Op de Rooseveltplaats werd er met stikstof gewerkt. Die werd in de grond gepompt om de ondergrond te bevriezen. Dat maakte het makkelijker om in de poederachtige grond te graven. Onder de grond was het dan zo’n -2 graden. We kwamen alleen boven de grond om onze boterhammen op te eten. Als het dan in de zomer 30 graden was, werden er veel collega’s ziek door het temperatuurverschil.’

"De tunnels waarin we moesten werken waren met momenten maar 1,5 meter hoog. Op handen en knieën kropen we erdoor."

‘Het was een andere tijd. De veiligheidsvoorschriften waren toen een pak minder strikt. Ooit hebben we zelfs de kelder van Café Jozef vol beton gepompt tot de eigenaar kwam buitengelopen. “Stop maar met pompen jongens, mijn kelder zit al vol.” Doordat de grond zo poederachtig was, hield die niets tegen. De grond werd weggeduwd waardoor de druk op de kelder zo groot werd dat de wand scheurde. Dagen zijn we aan het opkuisen geweest. Op de Rooseveltplaats hebben we met het betonpompen ook eens het wegdek over een lengte van 20 meter meer dan een halve meter omhooggeduwd. Een bus die daar toevallig stond, zakte helemaal scheef. Ja, dat vergeet ik nooit meer.’

 

‘Eigenlijk werk ik nog steeds bij hetzelfde bedrijf. Toen heette het CEI, nu is dit mee opgenomen in BAM Contractors. Na mijn heupoperatie heb ik een tijd thuis gezeten. Toen ik op kantoor kwam om mijn papieren in orde te brengen, liep ik een ingenieur tegen het lijf die me aansprak over een leuk “projectje” in Antwerpen, aan station Opera. “Weet je dat de Opera op betonnen spieën staat?”, vroeg ik. “Ja, hoe weet jij dat?”, reageerde hij verbaasd. “Ah, je kijkt nu naar iemand die die spieën mee heeft helpen steken.” En zo ben ik hier terug beland. Nu sta ik in voor het afsluiten van de werven en voor de transporten. De cirkel is rond. De meeste collega’s van toen zijn al met pensioen, maar ik denk dat ik tijdens het bouwverlof toch eens met mijn meestergast van vroeger ga bellen. Gewoon om te zeggen: weet je op welke werf ik nu zit?’